Trends

Draagt regelgeving daadwerkelijk bij aan de verduurzaming van ons kunststofsysteem?

Échte duurzaamheid vraagt om focus op het einddoel

De kunststofindustrie heeft de afgelopen decennia, en vooral de afgelopen jaren, te maken gekregen met een toenemend aantal wetten en regels. Deze regels zijn bedoeld om de milieu-impact van producten te verkleinen en de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Dat is niet zonder reden: de wereldwijde productie en het ­gebruik van kunststoffen groeien zeer snel, terwijl de afvalverwerkingscapaciteit veel minder snel toeneemt. Daardoor lekt steeds meer kunststofafval het milieu in. Het is daarom goed dat wetgeving probeert hierop in te grijpen. ­Tegelijkertijd roept de toenemende hoeveelheid details, verplichtingen en beperkingen een belangrijke vraag op: in welke mate dragen al deze maatregelen daadwerkelijk bij aan de verduurzaming van ons kunststofsysteem?

Door Marieke Brouwer

Als mens hebben we een aanzienlijke impact op het milieu en dit is in de afgelopen decennia sterk toegenomen. Deze impact is grofweg toe te kennen aan twee typen processen (Figuur 1). Ten eerste: de winning van grondstoffen, die leidt tot verlies van biodiversiteit, veranderingen in landgebruik en verstoringen in wereldwijde zoetwatersystemen. Ten tweede: het vrij­komen van afvalproducten, zoals CO₂-emissies die bijdragen aan klimaatverandering, en vervuilende stoffen zoals micro­plastics en chemische verbindingen die in ons milieu terechtkomen en daar negatieve gevolgen hebben voor mens, plant en dier. 

Onze planeet heeft grenzen waarbinnen zij milieubelasting kan opvangen; dit noemen we planetaire grenzen. Overschrijden we deze grenzen, dan neemt het risico op grootschalige, abrupte of zelfs onomkeerbare veranderingen in het milieu toe. Sinds 2009 hebben wetenschappers de staat van de planetaire grenzen meerdere keren beoordeeld, namelijk in 2015, 2023 en 2025. Uit deze evaluaties blijkt dat een groeiend aantal van deze grenzen zich inmiddels in de gevarenzone bevindt. De Verenigde Naties duiden deze ontwikkelingen als de drievoudige planetaire crisis, waarmee zij benadrukken dat biodiversiteitsverlies, klimaatverandering en vervuiling elkaar beïnvloeden en versterken. De productie en afdanking van kunststoffen hebben invloed op deze drie milieuproblemen.

Figuur 1: De relatie tussen extractie van grondstoffen en het uitscheiden van afvalproducten, de ­drievoudige planetaire crisis en de planetaire grenzen. (Bron: bewerkt op basis van Azote for Stockholm Resilience ­Centre, based on analysis in Sakschewski and Caesar et al. 2025).

Biodiversiteitsverlies wordt met name veroorzaakt door de extractie van grondstoffen. Dit geldt zowel voor de productie van fossiele kunststoffen als voor biobased kunststoffen. Met name bij biobased kunststoffen die niet uit reststromen maar direct uit gewassen worden geproduceerd, vormt de productie­wijze van grondstoffen een belangrijk aandachtspunt. Fossiele kunststoffen dragen bij aan klimaatverandering, mede doordat de koolstof uit aardolie aan het einde van de levensduur van kunststofproducten als CO₂ in de atmosfeer terechtkomt. Bij biobased kunststoffen is dit effect minder groot, omdat de vrijgekomen koolstof onderdeel is van de kortere natuurlijke koolstofkringloop, waarin eerder vanuit de atmosfeer vastgelegde koolstof weer wordt vrijgegeven. Kunststoffen dragen ook bij aan vervuiling van de planeet. Vooral niet-biologisch afbreekbare kunststoffen vormen een probleem, omdat ze zich in het milieu ophopen. Daarnaast kunnen er uit kunststofproducten chemicaliën, bijvoorbeeld uit additieven en inkten, vrijkomen en in het milieu lekken. Dit leidt tot zowel zichtbare als onzichtbare milieuschade, variërend van volledige plastic flesjes tot microplastics en chemische stoffen, waarvan de gevolgen voor mens en dier nog onvoldoende bekend zijn. De grote urgentie van deze milieuproblemen heeft Europese beleidsmakers ertoe aangezet stevige ambities te formuleren om deze problematiek aan te pakken

Figuur 2: De ontwikkeling van wet- en regelgeving rond het gebruik en afdanken van kunststofproducten.

De ontwikkeling van wet- en regelgeving 

De wet- en regelgeving rond het gebruik en afdanken van kunststofproducten en verpakkingen bouwt voort op een inmiddels lange geschiedenis, waarin de nadruk lange tijd voornamelijk op verpakkingsafval heeft gelegen (Figuur 2). Al meer dan dertig jaar geleden, in 1994, trad in Europa de eerste richtlijn voor het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval in werking. Deze Packaging and Packaging Waste Directive (PPWD) had als doel de hoeveelheid verpakkingsafval te beperken, het verpakkingsvolume te reduceren en maatregelen voor terugwinning en recycling te stimuleren. Revisies in 2004 en 2018 verduidelijkten de gestelde definities en stelden ambitieuzere recyclingdoelstellingen vast. De eerste rapportage (‘Early Warning Report’) van de Europese Commissie en European Environment Agency in 2023 liet zien dat de meeste lidstaten nog niet op de juiste weg waren om aan de gestelde doelstellingen te voldoen. Nederland was één van de negen lidstaten die wel de juiste stappen hadden genomen.

PPWR

In 2025 is de PPWD, in het kader van de Europese Green Deal, opnieuw herzien en omgezet in een bindende verordening: de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR). Deze nieuwe PPWR legt de nadruk op een breed scala aan duurzaamheidsmaatregelen, die gefaseerd in werking zullen treden. Dit omvat onder andere het behalen van recycling  en hergebruikdoelstellingen, het verplicht toepassen van gerecycled materiaal en het verminderen van materiaalgebruik voor verpakkingen. Daarnaast moeten sommige producten (zoals fruitstickers, koffiepads en theezakjes) composteerbaar worden, komen er inzameldoelstellingen voor drankflesjes en worden er beperkingen ingesteld voor het gebruik van zorgwekkende stoffen, zoals PFAS. Omdat de richtlijn is omgezet in een verordening, zijn deze doelen nu rechtstreeks en juridisch bindend voor alle EU lidstaten.

Kaderrichtlijn Afvalstoffen

Daarnaast is er de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (Waste Framework Directive, 2008). Deze richtlijn geeft duidelijke definities voor end-of-life strategieën en end-of-waste-­criteria, die aangeven wanneer een afvalstof ophoudt afval te zijn en verandert in een product of secundaire grondstof. Ook legt de richtlijn verplichtingen op voor de afzonderlijke inzameling van specifieke ­afvalstromen, waaronder textiel. Verder beschrijft de Kaderrichtlijn Afvalstoffen de vereisten voor regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV, ofwel EPR in het Engels). Dit betekent dat producenten verantwoordelijk worden gehouden voor hun producten gedurende de volledige levens­cyclus, en in het bijzonder de afvalfase. Hierin wordt de invoering van UPV gezien als een instrument en geeft de PPWR verdere sturing middels duidelijke eisen. 

UPV

Nederland bevindt zich in de voorhoede als het gaat om het verplichten en organiseren van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De officiële Nederlandse UPV voor verpakkingen werd al in 2006 ingevoerd, onder toezicht van UPV organisatie Nedvang, de voorganger van het huidige Verpact. Door de jaren heen heeft de invulling van deze UPV zich steeds verder ontwikkeld, van het monitoren van inzamel-  en recyclingresultaten tot het stimuleren van design-for-recycling via tariefdifferentiatie op basis van de recyclebaarheid van verpakkingen. Voor textiel trad de wettelijke UPV verplichting in 2023 in werking. Daarnaast zijn voor andere productstromen inmiddels ook UPV-regelingen van kracht, zoals voor elektrische en elektronische apparatuur, batterijen en autobanden. Voor andere producten wordt de invoering van een UPV-regeling momenteel verkend, ­bijvoorbeeld voor land-  en tuinbouwfolies.

Productontwerp (ESPR+SUP)

De Europese Unie heeft ook richtlijnen opgesteld voor het ontwerp van producten, zoals de Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR, 2024), Safe and Sustainable by Design (SSbD, 2025) en de Richtlijn Single-Use Plastics (SUP, 2019). De ESPR introduceert onder meer ecolabels en Digital Product Passports (DPP’s) als instrumenten om duurzamer productontwerp en transparantie te stimuleren.

De SUP-richtlijn is bedoeld om zwerfafval te voorkomen of de negatieve effecten daarvan te verminderen. Zij doet dit door specifieke kunststof wegwerpproducten te verbieden (waaronder bestek, rietjes en wattenstaafjes) en voor andere producten een verplichte meerprijs in te voeren. Daarnaast worden ook bepaalde product/materiaalcombinaties uitgefaseerd, zoals drank-  en voedselverpakkingen van geëxpandeerd polystyreen (EPS) en geëxtrudeerd poly­styreen (XPS), maar ook tasjes, flesjes en andere producten van oxodegradeerbare kunststoffen. Bovendien is de statiegeldverplichting uitgebreid van alleen grote flessen naar alle flessen voor water en frisdrank, moeten producten zoals vochtige doekjes, tampons, maandverband en tabaksproducten die kunststof bevatten een verplicht logo dragen en moeten doppen na opening vast blijven zitten aan drankverpakkingen.

20 jaar UPV op verpakkingen

De UPV voor verpakkingen is in Nederland al zo’n twintig jaar in werking. In die periode heeft deze regelgeving duidelijk invloed gehad op de hoeveelheid kunststofverpakkingen die wordt ingezameld en gerecycled. Het netto recyclingrendement van huishoudelijke kunststofverpakkingen is sinds de invoering van de UPV in 2006 sterk gestegen (figuur 3). Deze toename is tot dusver lineair, maar zal naar verwachting uiteindelijk afvlakken zodra het systeem zijn maximale potentieel bereikt. Verschillende wetenschappers schatten deze systeembrede limiet op ongeveer 70–80% netto recyclingrendement.

Dit artikel verder lezen?

Nog geen abonnee? Bekijk hier onze abonnementen.

Dit artikel delen:

(advertenties)